Overzicht van onderzoeksmethoden en dataverzamelingsmethoden

Er bestaan veel verschillende dataverzamelingsmethoden, onderzoekssoorten en onderzoeksmethoden die je kunt toepassen in je scriptie. Dit maakt het soms lastig om te bepalen met welke methode je jouw onderzoeksvraag het beste kunt beantwoorden.

Dit artikel biedt een opsomming van mogelijke onderzoekssoorten, onderzoeksmethoden en dataverzamelingsmethoden (met uitleg en doorverwijzingen naar artikelen over de specifieke methode). Deze lijst is niet uitputtend. Daarom kun je een type onderzoek tegenkomen dat niet in deze lijst staat.

Het is mogelijk dat je meerdere onderzoekssoorten tegelijk gebruikt in je scriptie, bijvoorbeeld omdat je je resultaten steviger wilt onderbouwen door meerdere methoden te gebruiken (triangulatie).

Afhankelijk van je onderzoekssoort kies je voor inductief of deductief redeneren.

Cross-sectioneel onderzoek

Bij een cross-sectioneel onderzoek verzamel je data van meerdere personen op één meetmoment. Hiermee verzamel je kwantificeerbare gegevens voor twee of meer variabelen.

Het doel van cross-sectioneel onderzoek is om de variatie vast te stellen. Met dit type onderzoek kun je geen causale relatie tussen variabelen vaststellen, maar je kunt wel bepalen of er een relatie bestaat tussen de variabelen (correlatie). Vaak wordt dit type onderzoek gebruikt om de prevalentie van een ziekte te onderzoeken.

Voorbeeld: Cross-sectioneel onderzoek
Blaxter (1990) heeft een steekproef van 9.000 individuen onderzocht en op één meetmoment data verzameld over hun rookgedrag, dieet en fysieke gezondheid. Hierdoor heeft zij kunnen aantonen dat er een relatie bestaat tussen iemands dieet en het rookgedrag (wel of niet roken). Een causaal verband is hiermee echter niet vastgesteld: het is onbekend of het dieet het rookgedrag beïnvloedt of andersom.

Descriptief of beschrijvend onderzoek

Als je alleen onderzoek doet naar een bepaalde stand van zaken en je deze gegevens in kaart brengt, dan noem je dit een descriptief of beschrijvend onderzoek. Je gebruikt beschrijvend onderzoek vaak in de probleemoriëntatie van je scriptie. Hierbij wordt aandacht besteed aan een beperkt aantal kenmerken van het onderwerp van je onderzoek.

Descriptief onderzoek is vaak kwantitatief van aard en heeft meestal specifieke onderzoeksvragen. Dit laatste suggereert dat er al enige voorkennis is over het onderwerp, bijvoorbeeld in de vorm van eerdere onderzoeken naar het onderwerp. Daarin verschilt dit type onderzoek van exploratief onderzoek.

Met descriptief onderzoek kunnen associaties tussen variabelen worden weergegeven, maar deze worden alleen beschreven. Er kan bijvoorbeeld geen causaal verband worden aangetoond. De resultaten van een descriptief onderzoek kunnen verder worden uitgediept in een vervolgonderzoek.

Voorbeeld: Descriptief of beschrijvend onderzoek
Voor beschrijvend onderzoek kun je bijvoorbeeld onderzoeken welke buitenfestivals het meest worden bezocht door jongeren tussen de 18 en 25 jaar. Dit geeft je inzicht in de stand van zaken omtrent dit onderwerp.

Hoeveel fouten bevat jouw scriptie?

De taalexperts van Scribbr verbeteren gemiddeld 150 fouten per 1000 woorden. Benieuwd wat er precies wordt verbeterd? Verschuif de cursor van links naar rechts!

Scriptie nakijken op taal

Deskresearch of bureauonderzoek

Deskresearch is een dataverzamelingsmethode die vaak wordt gebruikt in scripties, zeker als de opdrachtgever een bedrijf of organisatie is. Voor deskresearch worden alleen secundaire gegevens gebruikt, oftewel gegevens die al door anderen zijn verzameld. Voorbeelden van zulke gegevens zijn data van het CBS, archiefmateriaal of jaarverslagen van bedrijven.

Deskresearch wordt soms ook literatuuronderzoek genoemd, maar die termen betekenen niet precies hetzelfde. Bij deskresearch is de onderzoeker meestal op zoek naar praktische informatie, terwijl de onderzoeker bij een literatuuronderzoek vaker op zoek is naar wetenschappelijke of theoretische informatie van andere onderzoekers.

De resultaten die uit deskresearch worden verkregen, roepen vaak weer nieuwe vragen op. Daarom volgt vaak een vervolgonderzoek.

Voorbeeld: Deskresearch of bureauonderzoek
De eigenaar van een webshop heeft het idee dat zijn klantenbestand en de omzet teruglopen. Met behulp van deskresearch kun je onderzoeken of dit daadwerkelijk zo is en of de lagere omzet bijvoorbeeld te maken heeft met seizoensinvloeden. Dit kun je doen door de facturen van het betreffende jaar te vergelijken met die van voorgaande jaren. Liepen de verkopen altijd terug in deze tijd van het jaar of vindt de daling alleen dit jaar plaats?

Experimenteel onderzoek

Bij experimenteel onderzoek manipuleren onderzoekers een onafhankelijke variabele, waarna ze het effect van die manipulatie bekijken. Deze onderzoekssoort wordt gebruikt om causaliteit vast te stellen. Hierbij onderzoek je of de gemanipuleerde onafhankelijke variabele een verschil in de gemeten afhankelijke variabele teweegbrengt.

Een experiment kan zowel in de vorm van een veldonderzoek of een laboratoriumonderzoek voorkomen.

Voorbeeld: Experimenteel onderzoek
Stel je wilt weten hoe energydrank de sportprestaties van sporters beïnvloedt. Je laat respondenten twee keer naar het lab komen, zodat ze krachtoefeningen kunnen uitvoeren. De ene keer drinken zij geen energydrank en de tweede keer drinken zij van tevoren twee blikjes energydrank. De energydrank is in dit geval je onafhankelijke variabele of je manipulatie (wel of geen energydrank). Je kunt het effect van de energydrank meten door de resultaten van de krachtoefeningen met en zonder energydrank te vergelijken.

Exploratief onderzoek

Exploratief onderzoek wordt ook wel verkennend onderzoek genoemd. Onderzoekers hebben dan nog geen goed beeld van de resultaten die ze kunnen vinden en weten soms zelfs niet welke kant het onderzoek zou kunnen opgaan. Met dit type onderzoek wil je vooral ideeën opdoen en je gebruikt exploratief onderzoek dan ook om het onderzoeksgebied te verkennen voor vervolgonderzoek.

Het doel van een exploratief onderzoek is om het onderzoeksprobleem beter te begrijpen. Hiervoor kijk je bijvoorbeeld naar belangrijke factoren voor jouw onderwerp, mogelijke relaties hiertussen en naar achterliggende motivaties. Hierbij zijn er geen restricties, want alle mogelijk interessante gegevens worden verzameld.

Een exploratief onderzoek heeft vaak de vorm van deskresearch of een klein kwalitatief onderzoek (zoals een casestudy).

Voorbeeld: Exploratief onderzoek
Je bent benieuwd naar de invloeden die de studiekeuze van een student bepalen. Er is nog weinig informatie beschikbaar over dit onderwerp. Daarom kies je voor een exploratief onderzoek om heel breed inzichtelijk te maken welke factoren een rol kunnen spelen in de studiekeuze van een student. Je besluit een klein aantal studenten te interviewen. In een vervolgonderzoek kun je op deze resultaten voortbouwen.

Fundamenteel onderzoek

Als je fundamenteel onderzoek doet, richt je je vooral op kennisverwerving en niet zozeer op de toepassing van die kennis in de praktijk. Dit is een zeer wetenschappelijke methode die vaak wordt ingezet bij universitair onderzoek.

Fundamenteel onderzoek staat tegenover toegepast onderzoek, dat juist gericht is op aanbevelingen doen voor de praktijk. De scheiding tussen fundamenteel en toegepast onderzoek is meestal niet zo strikt, want fundamenteel onderzoek resulteert vaak in praktische toepassingen.

Voorbeeld: Fundamenteel onderzoek
Met fundamenteel onderzoek kun je bijvoorbeeld het effect van radioactieve straling op de menselijke genen onderzoeken. Met toegepast onderzoek kun je deze resultaten vervolgens naar de praktijk vertalen (zie voorbeeld toegepast onderzoek).

Inventarisatieonderzoek

Met inventarisatieonderzoek wordt de stand van zaken op een bepaald gebied geïnventariseerd. Je kunt hierbij denken aan het in kaart brengen van bezoekersaantallen of verkoopcijfers.

Deze onderzoekssoort wordt vooral veel gebruikt in de sociale wetenschappen en valt onder descriptief of exploratief onderzoek.

Voorbeeld: Inventarisatieonderzoek
Een voorbeeld van inventarisatieonderzoek is het onderzoek van Maes, Penne en Maeyer (2009). Hun inventarisatieonderzoek had betrekking op kinderen en jongeren met ernstige meervoudige beperkingen (EMB). De levensverwachting voor personen met EMB is laag, maar deze is wel toegenomen door betere ondersteuning en verbeterde medische begeleiding. Het aantal volwassenen met EMB groeit daardoor. Er zijn, net als over kinderen en jongeren met EMB, nauwelijks cijfers bekend over volwassenen met EMB. Het was zinvol een inventarisatie te doen van het aantal personen met EMB om meer inzicht te krijgen in de groep kinderen en jongeren met EMB en de groter wordende groep volwassen met EMB.

Kwantitatief onderzoek

Bij kwantitatief onderzoek is je onderzoek gebaseerd op het meten van variabelen. Vervolgens kun je met deze data een statistische analyse doen om tot een conclusie te komen, Hiermee krijg je een cijfermatig inzicht in je onderzoeksprobleem.

Voorbeeld: Kwantitatief onderzoek
Een klanttevredenheidsonderzoek in de vorm van een enquête is een voorbeeld van een kwantitatief onderzoek. Het voordeel van een enquête is dat je vooraf bepaalde keuzemogelijkheden hebt en dat de resultaten hierdoor goed geanalyseerd kunnen worden. Een nadeel van een kwantitatief klanttevredenheidsonderzoek is dat je de antwoordmogelijkheden van respondenten beperkt en dat je daardoor informatie kunt missen.

Kwalitatief onderzoek

Als je met je onderzoek een hoe- of waarom-vraag wilt beantwoorden, kun je het beste kiezen voor kwalitatief onderzoek. In dit geval meet je de variabelen uit je onderzoek niet in termen van getallen (waarden), maar ga je meer interpretatief te werk.

Voorbeeld: Kwalitatief onderzoek
Een klanttevredenheidsonderzoek kun je ook uitvoeren door interviews af te nemen. Dan spreken we van een kwalitatief onderzoek. Het voordeel hiervan is dat je veel informatie krijgt van respondenten. Je kunt doorvragen op antwoorden en de diepte ingaan. Het nadeel is dat het lastiger is om de resultaten te analyseren, omdat interpretatie altijd met subjectiviteit gepaard gaat. Ook zijn dit soort onderzoeken vaak arbeidsintensiever.

Laboratoriumonderzoek

Bij laboratoriumonderzoek maak je als onderzoeker geen gebruik van een natuurlijke situatie, maar creëer je zelf een onderzoekssituatie. Dit kan een laboratorium zijn – waar de naam laboratoriumonderzoek vandaan komt – maar ook een andere kunstmatige setting. Het belangrijkste hierbij is dat je als onderzoeker zoveel mogelijk externe factoren probeert uit te sluiten, zodat deze je onderzoeksresultaten niet kunnen beïnvloeden.

Bij een laboratoriumonderzoek moet je je houden aan strikte condities om controle te houden over invloeden van buitenaf (het weer, afleidingen, geluid). Dit is belangrijk voor de interne validiteit van je onderzoeksresultaten. De ecologische validiteit van laboratoriumonderzoek is vaak aan de lage kant door de kunstmatige setting.

Voorbeeld: Laboratoriumonderzoek
Een voorbeeld van een laboratoriumonderzoek is het onderzoek van Brosschot, Benschop, Godaert, De Smet, Olf, Heijnen en Ballieux (1992). Zij hebben in een lab het effect van psychologische stress op de distributie en functie van de perifere bloedcellen onderzocht door in de experimentele conditie stress op te roepen bij de proefpersonen. Voorafgaand aan en na afloop van het experiment werden bloedmonsters genomen en werd de geestelijke toestand van de respondenten bevraagd (om te controleren of er daadwerkelijk stress werd opgeroepen ).

Longitudinaal onderzoek

Als je onderzoek doet over een lange periode en je meerdere onderzoeks- of meetmomenten hebt, dan spreek je van longitudinaal onderzoek. Hierbij kan een vergelijking worden gemaakt tussen een begin- en eindmeting (en eventuele tussenmetingen) van een bepaald fenomeen. Hierbij is het belangrijk dat alle metingen op dezelfde manier worden uitgevoerd.

Het doel van longitudinaal onderzoek is om een ontwikkeling op een bepaald gebied in kaart te brengen. Een dergelijk onderzoek neemt vaak veel tijd in beslag.

Voorbeeld: Longitudinaal onderzoek
Vanderfaillie, Van Holen, De Maeyer, Vanschoonlandt en Andries (2012) hebben een longitudinaal onderzoek uitgevoerd. Hiermee onderzochten ze de ontwikkeling van probleemgedrag bij pleegkinderen. Gedurende 2 jaar volgden zij 49 pleegkinderen, waarbij zij het verband tussen globale, contextuele, familiale en kindfactoren enerzijds en een toename of een afname van het probleemgedrag anderzijds onderzochten. Na 2 jaar was het probleemgedrag bij 18 pleegkinderen toegenomen, bij 23 pleegkinderen gelijk gebleven en bij 8 pleegkinderen afgenomen. Een toename werd voornamelijk geassocieerd met het gebruik van negatieve opvoedingsstrategieën door de pleegmoeders. Een afname hield verband met een meer ondersteunende opvoeding.

Massaonderzoek of surveyonderzoek

Bij massaonderzoek, oftewel een surveyonderzoek, probeer je met een enquête inzicht te krijgen in economische, sociologische of psychologische variabelen binnen je doelgroep.

Bij dit type onderzoek wordt vaak gebruikgemaakt van een steekproef om een beeld te krijgen van de populatie zonder de gehele populatie te hoeven enquêteren. Een steekproef is een kleinere groep respondenten die de populatie vertegenwoordigt.

Voorbeeld: Massaonderzoek of surveyonderzoek
Een surveyonderzoek kan bijvoorbeeld meer inzicht bieden in het socialemediagebruik van jongeren tussen de 12 en 18 jaar. Je kunt deze jongeren een enquête laten invullen over hun socialemediagedrag, waarin vragen staan over welke sociale media zij gebruiken, waarvoor, wanneer en hoe vaak.

Observatieonderzoek

Bij observatieonderzoek verzamel je gegevens door feitelijk gedrag te observeren. Observeren bestaat uit kijken, luisteren en beoordelen. De dataverzamelingsmethode (observaties) van dit type onderzoek behoort tot de categorie “waarnemingsmethode”.

Met observaties kun je bijvoorbeeld antwoord geven op een hoe- of waarom-vraag, een onderwerp onderzoeken waar nog weinig over bekend is, en personen of fenomenen in hun natuurlijke setting bestuderen.

Voorbeeld observatieonderzoek
Een voorbeeld van observatieonderzoek is het onderzoek van Blatchford et al. (2003). Zij hebben met observaties onderzocht hoe de grootte van een klaslokaal het gedrag van leerlingen beïnvloedt. Ze verwachtten dat de onoplettendheid van de leerlingen zou toenemen naarmate een klaslokaal groter was . Om dit te onderzoeken hebben ze twee groepen leerlingen geobserveerd: de ene groep in een groot lokaal en de andere groep in een klein lokaal.

Pilotstudie

De pilotstudie is een klein vooronderzoek dat je kunt gebruiken om een eerste indruk te krijgen van jouw onderzoeksgebied. Dit type onderzoek kom je vaak tegen in het bedrijfsleven, maar ook in wetenschappelijke studies (om de betrouwbaarheid en validiteit te verhogen).

Het doel van een pilotstudie is om te verkennen en te testen. Zo kun je bijvoorbeeld bepalen welke doelgroep geschikt is voor een bepaald product. Ook kunnen meetinstrumenten, zoals enquêtes, interviewvragen en observatieschema’s met een pilotstudie getest worden op zwakheden en fouten.

Ook kun je tijdens een pilotstudie ervaring opdoen met de onderzoeksmethode, bijvoorbeeld als je interviews gaat afnemen voor je scriptie. Daarnaast kun je controleren of je instructies duidelijk zijn voor de respondenten.

Een pilotstudie wordt vaak verward met een pre-test, maar het zijn twee verschillende dingen. Een pre-test maakt deel uit van het daadwerkelijke experiment en je verzamelt zo data voorafgaand aan een manipulatie van de onafhankelijke variabele om deze gegevens te kunnen vergelijken met een post-test na manipulatie van de variabele.

Voorbeeld: Pilotstudie
Een bedrijf dat in heel Europa actief is wil een nieuw product op de markt brengen. Om te onderzoeken of huidige klanten in de stad Parijs wel geïnteresseerd zijn in het product, wordt een pilotstudie uitgevoerd. Met dit onderzoek kan worden bepaald of het nuttig is om het nieuwe product te introduceren.

Prospectief onderzoek

Bij een prospectief onderzoek trek je eerst een steekproef, waarna je metingen uitvoert of de participanten observeert. Op deze manier begin je bij de oorzaak (bijvoorbeeld een leefwijze) en kijk je daarna naar het gevolg (bijvoorbeeld een opgelopen ziekte). Hierdoor wordt ook wel gezegd dat deze onderzoekssoort op de toekomst gericht is.

Prospectief onderzoek wordt veel gebruikt bij medisch onderzoek. Bij retrospectief onderzoek wordt het tegengestelde gedaan.

Voorbeeld: Prospectief onderzoek
Stel je wilt graag onderzoeken hoe een bepaalde soa zich ontwikkelt. Je kunt mensen niet dwingen tot risicovol geslachtsverkeer. Wat je wel kunt doen is een groep mensen met verschillende seksuele gewoonten (die bij aanvang van het onderzoek vrij zijn van soa’s) een tijd volgen. Je volgt dan gedurende het onderzoek de mogelijke blootstelling aan en de ontwikkeling van een soa.

Retrospectief onderzoek

Bij retrospectief onderzoek kijk je – in tegenstelling tot bij prospectief onderzoek – terug van een gevolg (bijvoorbeeld het oplopen van een ziekte) naar een oorzaak (bijvoorbeeld een leefwijze). Hierbij wordt in data die al bekend zijn gezocht naar oorzaken voor die data.

Deze manier van onderzoek wordt ook veel gebruikt in de medische wereld. De data laten bijvoorbeeld zien of mensen zijn blootgesteld aan een bepaalde ziekte en of ze die ziekte ook daadwerkelijk hebben gekregen. Op basis daarvan kan worden onderzocht of mensen die aan de ziekte zijn blootgesteld ook degenen zijn die de ziekte krijgen.

Voorbeeld: Retrospectief onderzoek
Een goed voorbeeld van retrospectief onderzoek is het onderzoek van Pauw, Dieleman, Vogel en Eussen (2008). Zij hebben onderzoek gedaan naar het veranderen of stoppen van ADHD-medicatie. Ze hebben onderzocht hoeveel procent van de patiënten doorging of stopte met de medicatie en hoeveel procent veranderde van medicatie. Hierna hebben ze geprobeerd om voorspellers te definiëren voor het wisselen van of stoppen met ADHD-medicatie.

Relationeel onderzoek

Bij relationeel onderzoek meet je of twee of meer variabelen met elkaar samenhangen. Hiermee kun je aantonen of er een significant verband bestaat tussen de variabelen, hoe sterk dit verband is, en wat de aard van het verband is (lineair of non-lineair).

Voorbeeld: Relationeel onderzoek
Een onderzoek naar de relatie tussen het IQ van middelbare scholieren en hun schoolprestaties is een voorbeeld van relationeel onderzoek.

Replicatieonderzoek

Bij replicatieonderzoek herhaal je een onderzoek dat al eerder is uitgevoerd. Dit kun je bijvoorbeeld doen om te bepalen of:

  • het onderzoek de eerste keer wel goed is uitgevoerd;
  • het onderzoek bijvoorbeeld ook geldt voor een andere doelgroep;
  • de resultaten van het onderzoek nog steeds actueel zijn.

Om een replicatieonderzoek te kunnen uitvoeren is het belangrijk dat het te herhalen onderzoek daadwerkelijk herhaalbaar is. Dit wil zeggen dat de methode van dat onderzoek precies is beschreven, zodat duidelijk is hoe een replicatieonderzoek kan worden uitgevoerd. Dit type onderzoek kan bijvoorbeeld nuttig zijn om aan te tonen dat resultaten niet te snel moeten worden aangenomen als “waarheid”.

Replicatieonderzoek lijkt sterk op reproductieonderzoek, maar iemand die een onderzoek reproduceert, verzamelt zelf geen nieuwe data. De onderzoeker voert enkel de analyses opnieuw uit, terwijl bij replicatie het gehele onderzoek wordt herhaald met nieuwe data.

Voorbeeld: Replicatieonderzoek
Stel dat uit een onderzoek is gebleken dat tieners die gewelddadige spellen spelen zelf ook gewelddadiger worden. Je kunt in dit geval bijvoorbeeld een replicatieonderzoek uitvoeren om te bepalen of jij diezelfde resultaten vindt, maar je zou hiermee ook kunnen onderzoeken of je hetzelfde effect voor (jong)volwassenen vindt.

Reproductieonderzoek

Als je een onderzoek reproduceert, verzamel je zelf geen nieuwe data. Je gebruikt de data van een eerder onderzoek en herhaalt alleen de analyses om te bepalen of je dezelfde resultaten vindt. Hiermee kun je bijvoorbeeld aantonen dat analyses correct en eerlijk (of juist niet) zijn uitgevoerd.

Reproductieonderzoek lijkt sterk op replicatieonderzoek, maar bij een replicatie wordt het gehele onderzoek herhaald en worden ook nieuwe data verzameld.

Voorbeeld: Reproductieonderzoek
Uit een enquêteonderzoek is gebleken dat tieners een sterke voorkeur hebben voor historische romans, streekromans en spionageromans. Jij twijfelt aan de verwerking van de resultaten, dus je besluit de ruwe enquêtedata nogmaals zelf te analyseren om te bepalen of je tot dezelfde conclusies komt.

Toetsend of inferentieel onderzoek

Bij toetsend onderzoek (inferentieel onderzoek) ontstaat een bepaalde verwachting op basis van theorie. Deze verwachting wordt ook wel een hypothese genoemd. Die ga je vervolgens toetsen met je onderzoek, zodat je de hypothese kunt bevestigen of verwerpen.

Je kunt alleen toetsend onderzoek doen als je al beschikt over een theorie. Je hebt hiervoor voldoende kennis nodig, zodat je voorspellingen kunt doen. Naast de theorie die je gebruikt, weet je ook met welke meetinstrumenten, populatie en onderzoeksomstandigheden je aan de slag gaat.

Voorbeeld: Toetsend onderzoek
Met toetsend onderzoek kun je bijvoorbeeld onderzoeken of studenten beter scoren op een tentamen door online colleges te volgen dan door offline colleges bij te wonen.

Je hypothese luidt: Studenten scoren beter op een tentamen als ze online colleges volgens dan wanneer ze offline colleges bijwonen.

Om deze hypothese te toetsen, kun je in een experiment de tentamenscores van studenten die online en offline colleges volgen met elkaar vergelijken.

Toegepast onderzoek

Uit toegepast onderzoek komen conclusies en aanbevelingen naar voren die direct toepasbaar zijn in de praktijk. Het is ook mogelijk om met het onderzoek producten of methoden te ontwerpen die in de praktijk kunnen worden toegepast.

Als je een scriptie schrijft voor een bedrijf kom je al snel uit op toegepast onderzoek. Dit type onderzoek is de tegenhanger van fundamenteel onderzoek.

Voorbeeld: Toegepast onderzoek
Stel dat het effect van radioactieve straling op menselijke genen bekend is. Dan kun je met toegepast onderzoek meehelpen om geneesmiddelen te ontwikkelen voor ziektes die door die straling veroorzaakt worden. Dit is een toepassing voor de praktijk.

Veldonderzoek (fieldresearch)

Bij veldonderzoek (fieldresearch) voer je je onderzoek uit in een natuurlijke setting voor je respondenten, oftewel “het veld”. Hierbij verzamel, analyseer en interpreteer je data. Je kunt hiervoor diverse dataverzamelingsmethoden gebruiken, zoals observaties of interviews.

Veldonderzoek staat tegenover laboratoriumonderzoek, omdat bij veldonderzoek de onderzoekssetting niet wordt gemanipuleerd. Hierdoor is de ecologische validiteit vaak relatief hoog.

Voorbeeld: Veldonderzoek (fielresearch)
Voor een onderzoeker die meer wil weten over gebruiken in een bepaalde cultuur kan het handig zijn om voor veldonderzoek te kiezen. De onderzoeker draait dan mee in het dagelijkse leven van deze cultuur. Door dicht bij de mensen te komen die tot de cultuur behoren, is het gemakkelijker om vragen te stellen en te observeren. Ook gedragen mensen zich in hun eigen omgeving vaak natuurlijker.

Vergelijkend onderzoek

Bij vergelijkend onderzoek verricht je onderzoek om het effect van verschillende omstandigheden op bepaalde variabelen te meten. Vaak vergelijk je hierbij twee of meer groepen of situaties met elkaar om conclusies te kunnen trekken. Het is wel belangrijk dat je de variabelen die vergeleken worden steeds op dezelfde manier meet.

Voorbeeld: Vergelijkend onderzoek
Met een vergelijkend onderzoek kun je bijvoorbeeld onderzoeken wat de verschillen zijn tussen de onderwijssystemen in Nederland, Frankrijk en Duitsland. Je meet hierbij steeds dezelfde variabelen, bijvoorbeeld “toetsingsmethoden”, “duur lesuren” en “cijfertoekenning”.

Veelgestelde vragen

Wat zijn de belangrijkste kwalitatieve onderzoeksbenaderingen?

Er zijn vijf belangrijke kwalitatieve onderzoeksbenaderingen:

  • Grounded theory: Onderzoekers verzamelen rijke data over het onderwerp en ontwikkelen theorieën op inductieve wijze
  • Etnografie: Onderzoekers dompelen zich onder in groepen of organisatie om de heersende cultuur te begrijpen
  • Actieonderzoek: Onderzoekers en participanten verbinden gezamenlijk theorie aan de praktijk om sociale verandering teweeg te brengen
  • Fenomenologisch onderzoek: Onderzoekers onderzoeken een fenomeen of gebeurtenis door de ervaringen van participanten te beschrijven en te interpreteren
  • Narratief onderzoek: Onderzoekers bekijken hoe verhalen worden verteld om te begrijpen hoe participanten deze waarnemen en interpreteren
Wat is het verschil tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek?

Kwantitatief onderzoek heeft betrekking op getallen en statistiek, terwijl kwalitatief onderzoek over woorden en betekenissen gaat.

Met kwantitatieve onderzoeksmethoden kun je een hypothese toetsen door systematisch data te verzamelen en te analyseren, terwijl je met kwalitatieve methoden diepgaand onderzoek kunt doen naar ideeën en ervaringen.

Wat is beschrijvend of descriptief onderzoek?

Met descriptief of beschrijvend onderzoek probeer je accuraat en systematisch een populatie, situatie of fenomeen te beschrijven. Met dit type onderzoek kun je wat-, waar-, wanneer- en hoe-vragen beantwoorden, maar geen waarom-vragen. In tegenstelling tot bij experimenteel onderzoek probeert een onderzoeker geen enkele variabele te controleren of manipuleren. In plaats daarvan worden de variabelen enkel geobserveerd en gemeten.

Wat is het verschil tussen beschrijvend onderzoek en verkennend onderzoek?

Beschrijvend onderzoek kan een verkennend karakter hebben, bijvoorbeeld als er nog weinig bekend is over het onderzoeksonderwerp. Toch zijn er enkele verschillen tussen beschrijvend/descriptief onderzoek en verkennend/exploratief onderzoek.

  • Het doel
  • Flexibiliteit van het design
  • Einde van de tekst
Beschrijvend of descriptief onderzoek Verkennend of exploratief onderzoek
Het doel is om inzicht te krijgen in mensen, gebeurtenissen, objecten of fenomenen Het doel is om informatie te verzamelen, zodat je je onderzoeksvraag en -doel kunt bepalen
Het onderzoeksdesign staat vast Het onderzoeksdesign is flexibel
Je eindigt met een conclusie Je hoeft nog niet te eindigen met een conclusie
Hoe maak je een experimenteel design?

Een experimenteel design bestaat uit een set procedures om relaties tussen variabelen te onderzoeken. Om een gecontroleerd experiment te ontwerpen, heb je het volgende nodig:

  • Een toetsbare hypothese;
  • Minstens één onafhankelijke variabele die je nauwkeurig kunt manipuleren;
  • Minstens één afhankelijke variabele die je nauwkeurig kunt meten.

Als je het experiment ontwerpt, beslis je:

  • Hoe je de variabele(n) manipuleert;
  • Hoe je controleert voor mogelijke confounding variabelen;
  • Hoeveel participanten of gevallen je meeneemt in je onderzoek;
  • Hoe je je participanten verdeelt over de experimentele condities

Het design van je experiment is essentieel voor de interne en externe validiteit van je resultaten.

Wat vind jij van dit artikel?
Julia Merkus

Julia heeft onder andere een bachelor in Nederlandse Taal en Cultuur en twee masters in Linguistics en Taal- en Spraakpathologie, waardoor ze heel wat scripties heeft geschreven. Na enkele jaren als editor schrijft ze nu artikelen over alles wat bij een scriptie komt kijken om zo studenten met succes te laten afstuderen.

1 reactie

Julia Merkus
Julia Merkus (Scribbr Team)
9 juli 2021 om 16:07

Ik hoop dat dit artikel je heeft geholpen. Is er nog iets onduidelijk? Ik doe mijn best om vragen en opmerkingen te beantwoorden. :)

Is er iets nog niet helemaal duidelijk of ontbreekt er wat? Laat een opmerking achter.

Please click the checkbox on the left to verify that you are a not a bot.